2002 TITEL VII: Algemeen wedstrijdreglement Fietscross
Hoofdstuk VI: WEDSTRIJDUITRUSTING
Artikel 53 Keuring wedstrijduitrusting
Op een wedstrijddag kan de wedstrijduitrusting van de deelnemer aan een keuring worden onderworpen.
Artikel 54 De kleding
- Een door de CFX van de KNWU toegelaten wedstrijdhelm met veiligheidssluiting is verplicht. Hieronder vallen onder andere alle door TNO goedgekeurde helmen. Uitgesloten zijn helmen welke klittenband cq. drukknoopverbindingen hebben.
De renner dient zodra hij het wedstrijdcircuit betreedt, de helm op het hoofd te dragen, met de veiligheidssluiting op de juiste wijze gesloten.
- Shirts met lange mouwen zijn verplicht.
- Minimaal moet een crossbroek of een stevige soort spijkerbroek gedragen worden. De rechterpijp van de broek dient strak om het been bevestigd te zijn, ter voorkoming van het verward raken van de broekspijp in het kettingtandwiel en de ketting.
- Het is verboden een korte broek te dragen.
- Aanbevolen worden sportschoenen, welke tevens de enkels enigszins beschermen, en voorzien zijn van een deugdelijk zoolprofiel.
- Mondbeschermer en handschoenen met gesloten vingers zijn verplicht. Deze dienen tijdens de wedstrijden en de trainingen op de baan gedurende de gehele rit gedragen te worden.
Overtreding leidt tot bestraffing conform het gestelde in hoofdstuk VII van dit reglement.
Artikel 55 De crossfiets
Crossfietsen worden naar hun wielmaat onderscheiden in twee klassen:
1) crossfietsen met een wielmaat van het type 20 inches (uitsluitend in de klassen zeven jaar en jonger is wielmaat 16 inches toegestaan);
2) crossfietsen (cruisers) met een wielmaat van 24 inches óf 26 inches. Deze mogen óf twee 24 inch wielen óf twee 26 inch wielen voeren.
a. Algemeen
- Alle onderdelen dienen vast gemonteerd te zijn.
- Assen van voor- en achterwiel mogen niet meer dan vijf mm uitsteken.
- Kettingspanners waarvan de moer en het uitstekende draadeind afdoende zijn afgeschermd zijn toegestaan; kettingkasten zijn verboden.
- Verder zijn verboden onderdelen aan een wedstrijdfiets als: standaard, spatborden, vleugelmoeren, puntige voorwerpen.
- Reflectoren in wielen en ingebouwd in crossfietstrappers zijn toegestaan, alle op andere plaatsen aangebrachte reflectoren (incl. bevestigingsbeugels) zijn verboden.
- Pedalen moeten voorzien zijn van een zogenaamd crossprofiel (vertanding voor betere grip). Toeclips zijn verboden. Clipless pedalen zijn toegestaan.
- Remverankeringen en kettingkastbevestigingspunten, die aan het frame zijn gelast, dienen te worden verwijderd. Een wedstrijdframe mag géén uitstekende delen bevatten.
- Verende voor- en achtervorken zijn toegestaan.
b. Het stuur
Het stuur van de hierboven onder 1) en 2) genoemde crossfietsen mag niet hoger zijn dan 30 cm en niet breder dan 74 cm.
- Er mogen geen breuken in het stuur zitten en een gebroken stuur mag niet zijn gelast.
- Om de uiteinden van het stuur dienen handvatten te zitten op een dusdanige wijze gemonteerd, dat de uiteinden van het stuur niet zichtbaar zijn.
c. Het balhoofd
- Het balhoofd mag geen speling hebben.
- De zogenaamde gooseneck dient te zijn voorzien van een markering tot waar deze maximaal uit het balhoofd mag steken. Is een dergelijke markering niet aanwezig, dan mag de afstand tussen bout(top) gooseneck en balhoofdmoer niet groter zijn dan vijf cm. Een zogenaamde dubbele gooseneck is aan te bevelen.
d. Het frame
- Diverse modellen frames mogen worden gebruikt, mits zij voldoen aan de in dit reglement gestelde eisen.
- Frames waarin breuken worden geconstateerd worden niet toegelaten tot de wedstrijd.
e. De wielen
- De spaken moeten voldoende zijn gespannen.
- Er mag lichte, net voelbare speling op de lagers van de wielen zitten.
- De bevestigingsmoeren van de wielen dienen vast te zijn gemonteerd.
f. De remmen
- Een wedstrijdfiets moet voorzien zijn van een op het achterwiel werkende handrem, danwel een terugtraprem.
- De verankering van de terugtraprem dient door middel van een klem om het frame, gemonteerd te zijn. (Dus geen aan het frame gelaste bevestigingsbeugel).
- Naast de verplichte rem werkend op het achterwiel, is een handrem op het voorwiel toegestaan.
- De remkabel leidend naar de achterrem dient te zijn vastgemaakt aan het frame.
- Bij het gebruik van een handrem dient de handle te zijn voorzien van een ronde knop aan het uiteinde. Is deze ronde knop of bol niet aanwezig, dan dient de handle te zijn voorzien van een rubber beschermhoes.
- Het uiteinde van de binnenkabel(s) dient (dienen) te zijn afgeschermd.
g. Het zadel
- Het zadel dient te zijn voorzien van een ondoordringbare onderbasis, op een dusdanige wijze geconstrueerd, dat de zadelpen niet door het zadel kan dringen.
- Van de zadelpenklem, voorzien van een losse bout en moer, mag de bout niet meer dan vijf mm uitsteken.
h. Het cranckstel
- Zowel eendelige als driedelige cranckstellen mogen worden gebruikt.
- Moeren moeten vast zijn gemonteerd.
- Er mag lichte, net voelbare speling op het lager van het cranckstel zitten.
- De tandwielkeuze is zowel voor als achter vrij.
- De lengte van de te monteren crancks is vrij.
i. De beschermkappen
Beschermkappen, die minimaal 15 mm dik dienen te zijn, zijn verplicht op of om de volgende onderdelen:
- op of om het bevestigingspunt van het stuur en de stuurpen, de zogenaamde gooseneck;
- op of om de dwarsstang-tussenstang van het stuur. Indien deze dwarsstang niet aanwezig is, dient de bovenzijde van het nummerbord afdoende te zijn beschermd;
- op of om de bovenste stang van het frame, welke loopt van het balhoofd naar de zadelpenklem.
Bij het ontbreken van deze beschermkappen, of indien ze niet volgens voorschrift zijn, zal men officieel worden gewaarschuwd door de trackmanager en een tweede waarschuwing betekent dan automatisch diskwalificatie.
j. Het nummerbord
- Een nummerbord dient voorop het stuur te zijn gemonteerd, echter op een dusdanige wijze dat het nummerbord niet boven de beschermkap van de tussenstang van het stuur uitkomt.
- Nummerborden dienen van plastic te zijn.
- De minimale afmeting van het vlak waarop het nummer moet worden bevestigd, dient 18 x 26 cm te bedragen. Op dit vlak zijn buiten het wedstrijdnummer geen andere uitingen toegestaan. De te gebruiken cijfers dienen minimaal 80 mm hoog en 10 mm dik te zijn en mogen niet fluoriserend of spiegelend. De tussenruimte van de cijfers dient minimaal 15 mm te zijn.
Op elke onder auspiciën van de KNWU te organiseren fietscross-wedstrijd dienen de rijders te rijden met het wedstrijdnummer, dat hen voor dat jaar is toegekend en op hun licentie staat vermeld. Tevens dient de kleur van het nummerbord en cijfers in overeenstemming te zijn met de klasse waarin men volgens zijn licentie uitkomt (artikel 29). Punten worden alleen gegeven aan rijders, die met het juiste nummer en de juiste kleur borden rijden, terwijl de aangebrachte cijfers duidelijk leesbaar dienen te zijn.
Sanctie bij onduidelijke en onreglementaire nummerplaten:
Officiële waarschuwing door de trackmanager, een tweede waarschuwing betekent dan automatisch diskwalificatie.
(zie ook hier voor meer info).