De interesse van veel sportwetenschappers en trainers lag in het verleden voornamelijk op het duur uithoudingsvermogen. Het inspanningsvermogen voor prestaties van korte duur met een maximale inspanning, het zogenaamde anaërobe inspanningsvermogen, is hierdoor onderbelicht gebleven. Dit is jammer omdat het kortdurende inspanningsvermogen vaak belangrijk is voor de uitslag van een wedstrijd.
Maria Cipollini bewijst dat dertigers
vaak de snelste sprint in de benen hebben Foto: Cor Vos
De beslissing in bijna alle wedstrijden valt tijdens momenten van hoge intensiteit en korte duur. Denk maar eens aan een demarrage, een beklimming van een col, de sprint op de wielerbaan. Dit zijn momenten waarop naast het duur uithoudingsvermogen ook het kortdurende (anaërobe) inspanningsvermogen aangesproken wordt en beslist tussen winst of verlies. Eén van de kenmerken van het anaërobe inspanningsvermogen is dat het door de hoge intensiteit maar kort volgehouden kan worden. Meestal wordt het maximale vermogen dat de sporter kan ontwikkelen al na enkele seconden bereikt. Dit vermogen wordt geleverd door de hoeveelheid energie die in de spier aanwezig is. Na ongeveer vijf seconden neemt het vermogen al weer af.
ANDERE ENERGIE
Hierna moeten andere energiesystemen
deze taak overnemen. Hiervoor beschikken we over twee andere systemen in
ons lichaam, namelijk de anaërobe glycolyse (de verbrandingvan suikers
zonder zuurstof) en het aërobe verbrandingssysteem (verbranding van
zowel koolhydraten als vetten met zuurstof). Deze twee laatstgenoemde energiesystemen
kunnen per seconde minder energie vrijmaken dan het ATP en creatinefosfaatsysteem,
vandaar de afname in het geleverde vermogen. Eigenlijk is het niet geheel
juist om over het anaërobe (Latijn voor zonder zuurstof) inspanningsvermogen
te spreken, omdat er altijd een deel van de energie uit de verbranding
van koolhydraten en vetten komt. Maar voor het gemak spreekt men bij inspanningen
die korter dan twee minuten duren van anaërobe inspanning en bij inspanningen
die langer duren spreekt men van aërobe inspanning.
SPIERVEZELS
Het anaërobe inspanningvermogen
wordt grotendeels bepaald door de spiervezelsamenstelling van de sporter.
Een sporter met van nature veel snelle spiervezels (sprinter) zal over
een beter anaëroob prestatievermogen beschikken dan iemand met veel
langzame spiervezels (de geboren duursporter). Het anaërobe inspanningsvermogen
is echter niet voor honderd procent genetisch bepaald. Afhankelijk van
de gebruikte anaërobe test, lijkt het anaërobe vermogen tussen
de vijftig en negentig procent al voor de geboorte bepaald te zijn.
Het anaërobe inspanningsvermogen
wordt beïnvloed door een aantal zaken zoals temperatuur van de spieren,
vermoeidheid en training. Hoe beter de spieren zijn opgewarmd voorafgaand
aan de inspanning, des te beter de prestatie zal zijn.
Zelfs als de spieren passief worden
opgewarmd door middel van een warm bad of bij de kachel, is dit prestatiebevorderende
effect al zichtbaar. Vermoeidheid heeft ook een grote invloed op het anaërobe
inspanningsvermogen. Wanneer de sporter nog niet voldoende hersteld is
van een voorgaande inspanning zal hij/zij ook minder presteren omdat de
energievoorraden nog niet volledig aangevuld zijn.
VERBETEREN
Gelukkig zijn er mogelijkheden om
het anaërobe inspanningsvermogen te verbeteren. Dit kan door middel
van training. Door duurtraining neemt het herstelvermogen van de snelle
spiervezels toe waardoor de spier weer eerder fris is om opnieuw een goede
prestatie te kunnen leveren. Het is dus belangrijk voor sporters die vaak
binnen korte tijd zware inspanningen moeten leveren om het uithoudingsvermogen
te trainen door middel van duurtraining. Ook door sprinttraining kan men
de hoeveelheid energierijke fosfaten in de spieren laten toenemen. Bovendien
kan de hoeveelheid beschikbare energie in de spier worden beïnvloed
door middel van voedingsmiddelen zoals door het gebruik van bijvoorbeeld
creatine. Maar, de meest eenvoudige manier is om koolhydraten te stapelen,
net zoals de duursporters gewoonlijk doen (in de vorm van enorme borden
met bijvoorbeeld spaghetti, macaroni of rijst). Hierdoor worden de voorraden
glycogeen in de spieren vergroot waardoor ook het anaërobe prestatievermogen
wordt verbeterd.
LEEFTIJD BELANGRIJK
Opvallend is de leeftijd van sprinters
op de weg en op de baan. Daar waar de iets jongeren al zeer goed presteren
op andere disciplines (bijvoorbeeld klassiekers en tijdritten) zien we
dat de relatief wat ouderen van rond en boven de dertig jaar de boventoon
voeren bij de sprint op zowel de weg als de baan. Denk maar eens aan Mario
Cipollini in Milaan - San Remo en Gent - Wevelgem. Dit is geen toeval,
daar waar je maximale zuurstofopname zo rond je twintigste jaar op een
maximum is gekomen, ontwikkelt je anaërobe vermogen (voornamelijk
het vermogen om suikers zonder zuurstof te verbanden) zich nog verder en
bereikt een maximum rond het dertigste levensjaar.
Figuur i. Weergave van hoe de verschillende energiesystemen tijdens
een (maximale) inspanning aangesproken worden in functie van de tijd.
CONCLUSIE
Het kortdurende inspanningsvermogen
is enorm belangrijk vooreen renner om demarrages te kunnen plaatsen of
te sprinten. Dit valt goed te trainen, al is het voor een deel genetisch
al bepaald of je een explosieve renner of meer een diesel bent. Ook de
leeftijd speelt een rol, pas rond je dertigste eerbrandje lichaam de suikers
optimaal.
Bron: Wielerrevue Nationaal jaargang 12 no 8, 18 april
2002-04-19
Auteur: Drs. Tim Takken, Inspanningsfysioloog